Direct naar inhoud
Alle artikelen

Het heffen van de handen bij duʿā' (smeekbede) na het gebed

Het oordeel over het heffen van de handen bij duʿā' na de verplichte en vrijwillige gebeden, volgens de fatwa van Shaykh ʿAbd al-ʿAzīz ibn Bāz رحمه الله.

15 juni 2026 6 min lezen

DE VRAAG:

Is het toegestaan om de handen te heffen tijdens duʿā' (smeekbede) na de verplichte gebeden of na de vrijwillige gebeden? En zo ja, wanneer is dat dan? Moge Allah u belonen.


HET ANTWOORD:

Het heffen van de handen bij duʿā' is aanbevolen en behoort tot de oorzaken waardoor een smeekbede verhoord kan worden.

De Profeet ﷺ zei:

«Voorwaar, jullie Heer is Schaamtevol en Edelmoedig. Hij schaamt Zich tegenover Zijn dienaar wanneer deze zijn handen naar Hem opheft, om ze leeg terug te sturen.»1

Dat wil zeggen: zonder iets.

Daarom is het aanbevolen om de handen te heffen bij duʿā' wanneer iemand zijn Heer aanroept: in zijn huis, op reis of op welke plaats dan ook. Hij heft zijn handen, verricht duʿā', spant zich in in zijn smeekbede en blijft aandringen in zijn duʿāʾ. Dit behoort tot de oorzaken van verhoring.

Tot dit ḥadīth behoort ook de uitspraak van de Profeet ﷺ:

«Voorwaar, Allah, de Verhevene, is Goed en aanvaardt niets behalve het goede. En Allah heeft de gelovigen bevolen met datgene waarmee Hij de boodschappers heeft bevolen, de Verhevene (Allāh), zei:

... يَـٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ كُلُوا۟ مِن طَيِّبَـٰتِ مَا رَزَقْنَـٰكُمْ وَٱشْكُرُوا۟ لِلَّهِ

{O jullie die geloven, eet van de goede zaken waarmee Wij jullie hebben voorzien en wees Allah dankbaar ...}2 En Hij, de Verhevene, zei:

... يَـٰٓأَيُّهَا ٱلرُّسُلُ كُلُوا۟ مِنَ ٱلطَّيِّبَـٰتِ وَٱعْمَلُوا۟ صَـٰلِحًا ۖ

{O boodschappers, eet van de goede zaken en verricht goede daden ...}3

Daarna noemde de Profeet ﷺ een man die een lange reis maakt, verward haar heeft en onder het stof zit. Hij strekt zijn handen uit naar de hemel en zegt: "O mijn Heer! O mijn Heer!"

terwijl zijn voedsel ḥarām is, zijn drank is ḥarām, zijn kleding is ḥarām en hij is gevoed met ḥarām. Hoe kan zijn smeekbede dan verhoord worden?»4

Dat wil zeggen: het is ver verwijderd dat zijn smeekbede verhoord wordt, zelfs als hij zijn handen opheft en blijft aandringen in duʿā', zolang hij zich bezighoudt met ḥarām en omgeven is door ḥarām in zijn voedsel, drank en dergelijke.

De Profeet ﷺ verduidelijkt hiermee dat het heffen van de handen behoort tot de oorzaken van verhoring. Ook het blijven aandringen in duʿā' behoort tot de oorzaken van verhoring.

Maar er kan een verhindering aanwezig zijn, zoals het eten van ḥarām. Degene die ḥarām voedsel nuttigt, heeft daarmee een oorzaak genomen waardoor de verhoring van zijn duʿā' wordt tegengehouden.

Zo behoren ook achteloosheid tegenover Allah, het zich afwenden van Allah en veel zonden tot de oorzaken waardoor de verhoring van duʿā' wordt tegengehouden.

Maar men heft de handen niet op in situaties waarin de Profeet ﷺ zijn handen niet ophief.

De plaatsen waarin de Profeet ﷺ zijn handen niet ophief, daarin heffen wij onze handen ook niet. Want hij ﷺ wordt nagevolgd in wat hij deed én in wat hij liet. Hij is het voorbeeld, zoals Allah جل وعلا zei:

لَقَدْ كَانَ لَكُمْ فِي رَسُولِ اللَّهِ أُسْوَةٌ حَسَنَةٌ لِمَنْ كَانَ يَرْجُو اللَّهَ وَالْيَوْمَ الآخِرَ وَذَكَرَ اللَّهَ كَثِيرًا

{Voorzeker, in de Boodschapper van Allah hebben jullie een goed voorbeeld voor wie op Allah en de Laatste Dag hoopt en Allah veel gedenkt.}5

Zoals wij hem dus navolgen in wat hij deed, zo volgen wij hem ook na in wat hij liet.

Hij hief zijn handen toen hij om regen vroeg op de minbar tijdens de vrijdagpreek. Toen hij Allah om regen vroeg, hief hij zijn handen tijdens de khuṭbah van vrijdag op de minbar.

Daarom heffen wij onze handen wanneer wij Allah om regen vragen. Wanneer wij regen vragen, heffen de imām en de aanwezigen hun handen. Zij heffen hun handen, verrichten duʿā' tot Allah en zeggen "āmīn" op de duʿā' van de imām.

Zo ook wanneer iemand voor zichzelf duʿā' verricht: in zijn huis, in het laatste deel van de nacht, tijdens de voormiddag of op welk moment dan ook. Hij verricht duʿā' en heft zijn handen.

Of na een vrijwillig gebed, als hij soms na het vrijwillige gebed zijn Heer aanroept, zoals na het ḍuḥā-gebed, in de nacht of op welk moment dan ook, dan is daar geen bezwaar tegen.

Maar bij het verplichte gebed heffen wij onze handen niet op wanneer men de taslīm heeft verricht, omdat de Profeet ﷺ zijn handen niet ophief bij het verplichte gebed. Er is niet van hem ﷺ overgeleverd dat hij zijn handen ophief na de verplichte gebeden. Daarom heffen wij onze handen niet op, uit navolging van hem ﷺ.

Zo ook tijdens de vrijdagpreek: wanneer de imām duʿā' verricht, heft hij zijn handen niet op. De Boodschapper ﷺ hief zijn handen namelijk niet op tijdens de duʿā' van de vrijdagpreek, behalve specifiek wanneer hij om regen vroeg.

Wanneer hij dus duʿā' verricht tijdens de vrijdagpreek of tijdens de ʿĪd-preek, dan heft hij zijn handen niet op, omdat de Profeet ﷺ zijn handen niet ophief.

En wanneer iemand de taslīm verricht na het verplichte gebed — zoals Fajr, Dhuhr, ʿAṣr, Maghrib of ʿIshā', dan heft hij zijn handen niet op, omdat de Profeet ﷺ zijn handen daar niet ophief.

Zo ook tussen de twee neerknielingen: bij de duʿā' tussen de twee sujūd heft men de handen niet op.

Zo ook aan het einde van het gebed, vóórdat men de taslīm verricht: men heft de handen daar niet op, omdat de Boodschapper ﷺ zijn handen op deze plaatsen niet ophief.

Toen hij dit liet, laten wij het ook, uit navolging van hem ﷺ.

Maar als iemand in zijn huis zit tijdens de voormiddag en vervolgens duʿāʾ verricht en zijn handen heft, of in de nacht zijn handen heft, of op welk moment dan ook aan een behoefte denkt en zijn handen heft, dan is daar geen bezwaar tegen.

Maar de plaatsen waarin de Profeet ﷺ handelde en zijn handen niet ophief, daarin heffen wij onze handen ook niet op. Zoals je hebt gehoord: tussen de twee sujūd, de duʿā' aan het einde van het gebed vóór de taslīm, en de duʿā' tijdens de vrijdagpreek of de ʿĪd-preek; daar heft men de handen niet op.

Maar bij de duʿā' om regen heffen wij onze handen wel op.

Wanneer iemand na het verplichte gebed de taslīm verricht en daarna duʿā' doet, dan heft hij zijn handen niet op. Hij verricht duʿā' tussen zichzelf en Allah na de adhkār. Als hij na de adhkār voor zichzelf duʿā' verricht, dan is daar geen bezwaar tegen. Maar hij heft zijn handen niet op, omdat de Boodschapper ﷺ zijn handen niet ophief.

Het is verplicht voor de mensen van geloof om de Boodschapper ﷺ na te volgen in zijn daden, zijn woorden, en in wat hij deed en liet ﷺ.

Ja.


Bron: binbaz.org.sa/fatwas/11998/

Voetnoten

  1. 1.Authentiek verklaard door Shaykh al-Albānī in Ṣaḥīḥ Ibn Mājah, nr. 3131.
  2. 2.Sūrat Al-Baqarah (2):172
  3. 3.Sūrat Al-Muʾminūn (23):51
  4. 4.Vermeld door Imām Muslim in Ṣaḥīḥ Muslim, nr. 1015.
  5. 5.Sūrat Al-Aḥzāb (33):21
Deel dit artikel:Delen via WhatsApp

Gerelateerde artikelen